Historisch kader
Achtergrond
Dossiers
| De medewerkers van het Auswärtige Amt en de Endlösung |
|
De vraag in hoeverre en zo ja, vanaf wanneer de verschillende medewerkers van het Auswärtiges Amt individueel op de hoogte waren dat de deportatie van joden naar Oost-Europa de facto hun doodvonnis betekende, is lastig te beantwoorden. Duidelijk is wel dat de SS in de leiding van het Auswärtige Amt een partner vond waar een brede consensus over de ratio achter de Endlösung bestond.
Met het Auswärtige Amt kon, als het ging om het ‘Joodse vraagstuk’, bijna conflictvrij worden samengewerkt. Medewerkers volgden niet alleen ‘bevelen’ van hogerhand op, maar moedigden binnen hun eigen bereik de anti-joodse maatregelen aan en namen ook zelf initiatieven. Ook al wist men misschien niet van de systematische moord in gaskamers, voor iedere medewerker van het Auswärtige Amt die zich direct dan wel indirect met ‘joodse zaken’ bezig hield, moet duidelijk zijn geweest dat de joden in Oost-Europa een verschrikkelijk noodlot wachtte. Tijdens de Neurenberger processen werd Von Ribbentrop, als minister van Buitenlandse Zaken, onder andere vanwege zijn bijdrage aan de organisatie van de Endlösung, ter dood veroordeeld.
Joachim von Ribbentrop (NIOD 35525)
Veelbetekenend is tegen deze achtergrond dat veel documenten uit het archief van het Auswärtige Amt de vasthoudendheid en compromisloosheid illustreren waarmee diplomaten de jodenvervolging in Nederland onderschreven en ook organisatorisch ondersteunden. Dit komt, ondanks het vaak eufemistische taalgebruik, bij uitstek naar voren in de rapportages van Otto Bene. In mei 1943 deelde hij bijvoorbeeld mede: '(...) ausserhalb Amsterdams ist nunmehr als Ergebnis der Provinzräumung das Strassenbild fast judenfrei.' (toegang 454), en in juli 1944: ‘(...) die Judenfrage kann für die Niederlande als gelöscht beziechnet werden.' (Toegang 489)
Auschwitz werd door hem in november 1942 op cynische wijze als ‘Rauschwitz’ aangeduid. (Toegang 526)
Dezelfde houding komt naar voren in de discussies die over en weer gevoerd werden tussen diverse Duitse instanties (Rijkscommissariaat, Inland II, RSHA) naar aanleiding van via de Schutzmacht Zweden ingediende verzoeken om één jood of één joodse familie vrij te laten of te laten emigreren.(Toegang 453)
Ook pogingen tot vrijkopen leidden doorgaans tot niets. (Toegang 470)
|


