Historisch kader
Achtergrond
Dossiers
| Migratie en vervolging |
|
Aan de Holocaust - de moord ten tijde van de Tweede Wereldoorlog op zes miljoen mensen die door het nazi-regime als joden werden gedefinieerd – ging een structurele ontrechting en een grootschalige vlucht en migratie van Duitse joden vooraf. Tussen 1933 en 1939 waren de Verenigde Staten en Palestina de belangrijke bestemmingslanden. Maar er waren, zeker in de eerste jaren na 1933, ook joden die naar landen in Europa, zoals Engeland, Frankrijk en Nederland, migreerden. Naar schatting zijn er tegen de 35.000 Duits-joodse vluchtelingen geweest, voor wie Nederland - al dan niet tijdelijk - een toevluchtsoort was: 24.000 van hen bleven langer dan twee weken in Nederland en 11.000 slechts enkele dagen. Binnen Europa namen alleen Frankrijk en Groot-Brittannië meer vluchtelingen op. Na mei 1940 – het formele emigratieverbod dateert van oktober ’41 - was migratie voor de naar schatting 140.000 joden die in Nederland verbleven, waaronder de eerder uit Duitsland gevluchte groep, in tegenstelling tot in de jaren dertig, geen optie meer: men zat in de val. Een uitzondering vormden de zeer kleine groep ‘buitenlandse’ joden, de groep joden die vanuit Nederland een buitenlands paspoort wisten verwerven en enkele Duitse joden die nog ‘legaal’ konden emigreren .
Het Auswärtige Amt (het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken) raakte, mede als gevolg van de bemoeienis met Duits-joodse migratie na Hitlers machtsovername van 1933, sterk betrokken bij het antisemitische beleid van het nazistische regime. Duitse ambassades en gezantschappen rapporteerden aan het Auswärtige Amt in Berlijn over de rol en positie van gemigreerde Duitse joden in het buitenland. In Nederland verzamelde het Duitse Gezantschap in Den Haag vanaf 1934 actief informatie over het zogenoemde ‘Joodse vraagstuk’. De handel en wandel van Duits-joodse vluchtelingen werd gevolgd, terwijl ook werd geprobeerd in Nederland het antisemitisme te bevorderen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde het Auswärtige Amt een belangrijke rol bij de diplomatieke ondersteuning en afdekking van de Holocaust die zich in grote delen van Europa afspeelde. In Nederland waren de diplomatieke vertegenwoordigingen na de Duitse inval van mei 1940 weliswaar opgeheven, maar daarvoor in de plaats stationeerde het Auswärtige Amt de diplomaat Otto Bene als vertegenwoordiger bij het Reichskommissariat van Arthur Seyss-Inquart. In die positie informeerde Bene zijn superieuren in Berlijn over de voortgang van de jodenvervolging in Nederland. De archieven van het Auswärtige Amt geven daardoor een bijzonder inzicht in de ontwikkeling en praktijk van de jodenvervolging vanaf 1933 als Europa-breed fenomeen en de plaats die Nederland hierbij innam.
|

