Historisch kader
Achtergrond
Dossiers
| Nederlandse protesten tegen antisemitische maatregelen in Duitsland |
|
Nederlandse reacties op de antisemitische maatregelen in Duitsland werden door het Duitse Gezantschap in Den Haag met grote aandacht gevolgd. In de rapporten voor het Auswärtige Amt in Berlijn werd bij herhaling melding gemaakt van artikelen in dag- en weekbladen waarin men zich voor of tegen dergelijke maatregelen uitsprak. De geldende mening op het Gezantschap lijkt te zijn geweest dat kritiek op het Duitse handelen vooral een gevolg was van een internationale anti-Duitse propagandacampagne, en niet zozeer voortkwam uit oprechte bezwaren tegen de behandeling van joden in Duitsland.
`In het 'Land der Dichter und Denker', 19 november 1938 (NIOD 184172)
Protestbijeenkomst tegen Jodenvervolging Duitsland, 1938 (NIOD 62804)
Het doel van het in kaart brengen van de Nederlandse reacties was tweeledig. Enerzijds probeerde het Auswärtige Amt zo zicht te krijgen op de anti-Duitse sentimenten die in Nederland bestonden. Anderzijds werd ook gekeken of er ruimte was voor het bevorderen en aansturen van antisemitisme binnen de Nederlandse landsgrenzen. Rapportages van Duitse diplomatieke diensten over de joden in Roemenië die duidelijk antisemitisch van toon waren, mochten bijvoorbeeld in februari 1938 door gezant Graf von Zech-Burkersroda naar eigen inzicht met Nederlandse contacten worden gedeeld. (toegangen 73-77)
Het Auswärtige Amt te Berlijn, op zijn beurt, stuurde aan het Duitse gezantschap in Den Haag ook de informatieverzoeken over de jodenvervolging van de Nederlandse gezant in Berlijn. Zo werd in juni 1935 door de Nederlandse gezant om opheldering gevraagd over het bericht dat alle uit Nederland naar Duitsland terugkerende Duits-joodse vluchtelingen gearresteerd werden en in zogenoemde Schulungslager werden ondergebracht. (toegangen 232 en 233)
Na 1940 werd door gezant Bene bericht over de Nederlandse houding ten opzichte van de antisemitische maatregelen in Nederland aan Inland II. Deze verslagen waren uiteraard niet meer gebaseerd op verslagen van Kamerdebatten of artikelen uit de pers; nu waren vlugschriften en geruchten de belangrijkste bronnen. (toegang 517)
|



