Historisch kader
Achtergrond
Dossiers
| De Nederlandse discussie over het vluchtelingenvraagstuk |
|
Het gezantschap in Den Haag volgde niet alleen de Nederlandse reacties op de antisemitische maatregelen in Duitsland, maar ook de reacties op de joodse vluchtelingen die sinds 1933 een veilig heenkomen zochten in Nederland. Acties en uitspraken tegen de steun aan uit Duitsland gevluchte joden, zoals van de zijde van NSB-pers of het Tweede Kamer-lid voor de NSB Graaf Marchant et d’Ansembourg, konden op speciale aandacht en ook instemming rekenen.
Controle aan de grens, 1939 (NIOD 41053)
Ook de Tweede Kamerdebatten die in deze jaren telkens opnieuw werden gehouden over de toelating dan wel weigering van vluchtelingen, het interneren van vluchtelingen in kampen en het stellen van eisen aan hun toelating, werden nauwgezet gevolgd. Bijzondere belangstelling ging uit naar de rol en positie van Minister van Justitie Goseling en Minister-president Colijn; deze werden door de Duitse gezant in de rapporten voor Berlijn regelmatig voorzien van een toelichting. (toegang 358)
Colijn vreesde bijvoorbeeld dat de vele joodse vluchtelingen in Nederland voor een toenemend antisemitisme zouden zorgen. Het is daarbij overigens de vraag inhoeverre de angst voor antisemitisme, zoals werd verwoord door Colijn, welbeschouwd niet een vorm van antisemitisme was. Volgens Zech (in 1938) was deze stap, met name in Amsterdam, inderdaad niet groot: ‘(...) wenn es so weitergeht, kann der Fall leicht eintreten, dass der Holländer für das Vorgehen Deutschlands gegen die Juden nicht nur Verständnis gewinnt, sondern auch den Wunsch empfindet, es ebenso zu machen wie wir.’ (toegang 332)
|


